Hazelnoten oogsten in Turkije

Namens de campagne Stop Kinderarbeid vertrok advocacy officer Leonie Blokhuis, samen met drie medewerkers van vakbond FNV naar Turkije om meer kennis op te doen over de achtergronden van kinderarbeid in de Turkse hazelnootpluk. Over hun bevindingen schreven zij het volgende verslag.

Hazelnoten regio

Trots zijn ze op hun hazelnoten. Aan de Zwarte Zee kust van Turkije kun je niet om de hazelnoten heen. Niet alleen zie je veel plantages en boomgaarden als je door de regio rijdt, maar ook gewoon op straat in Ordu of andere steden zijn parkeervakken of stroken langs de weg ingeruimd voor het drogen van de geplukte noten. Een oudere vrouw of een jong kind pelt de hazelnoten en schudt de partij hazelnoten nog eens om. Op meerdere plekken in de stad zijn er kantoren en opslagplaatsen van opkopers. Per zak kun je er je oogst van de hand doen.[1] De hazelnoot is hét symbool van de stad Ordu wat ook te zien is aan de bermafscheiding van de doorgaande weg langs de kust waarin de hazelnoten gesmeed zijn in het ijzeren hekwerk.

Wat wil je, met meer dan 200.000 eigenaren van hazelnoten boomgaarden in deze regio. Voor het merendeel van deze eigenaars, zo’n 80 procent, is het telen van hazelnoten geen hoofdactiviteit; het is een bijverdienste. De overige 20 procent is houdt zich fulltime met de hazelnootproductie bezig. Samen zijn ze goed voor 75 procent van de wereld hazelnoten productie.

De belangrijkste bond van hazelnoottelers in de regio is de Findik Üreticilei Sendikasi, aangesloten bij de landelijke boerenorganisatie Çiftçi Sendikalari Konfederasyonu. Deze confederatie is op haar beurt weer verbonden met de internationale boerenorganisatie Via Campesina. Contactpersoon Kutsi Yaşar van deze bond en federatie is een betrouwbare en betrokken informant over de hazelnoten situatie in het gebied aan de Zwarte Zee. Hij vertelt ons dat tot ruim dertig jaar geleden bij de oogst van hazelnoten alleen gebruik werd gemaakt van lokale arbeidskrachten. Onderlinge bijstand was geboden bij het binnenhalen van de oogsten. Die situatie is intussen totaal veranderd.

In de jaren 80 en 90 van de 20e eeuw vond het leger van Turkije dat de Zuidoostelijke regio gezuiverd moest worden van, in hun ogen, opstandige Koerdische rebellen. Na de oprichting van de PKK leken die zich strakker georganiseerd te hebben. Ruim 4000 dorpen zijn toen door het Turkse leger in deze strijd platgegooid en ontvolkt. Zonder verdere middelen van bestaan vluchtte de bevolking, grotendeels van Koerdische afkomst, naar de steden in de regio of steden nog verder weg, tot aan Istanbul toe. Een migratiestroom van zeker 800.000 mensen was het resultaat. Zonder middelen van bestaan boden deze gevluchte families zich aan als migrantenarbeider voor de oogst. Deels in de regio zelf, maar bij laag aanbod van werk ook verder weg, naar de Zwarte Zee kust. Het grootste deel van het oogstwerk wordt nu dan ook gedaan door deze tijdelijke seizoenarbeiders, voornamelijk Koerden uit het zuiden van het land.

Oogstwerk

Het merendeel van de migrantenfamilies trekt door heel Turkije op zoek naar inkomsten en werkt mee aan de oogst van meerdere seizoenproducten zoals tomaten, tabak, abrikozen, pistachenoten en hazelnoten. Ze blijven gemiddeld een maand op één plek en trekken dan weer verder. Een klein deel van deze migrantenarbeiders blijft langere tijd aan een teelt verbonden. In de katoenteelt in het zuiden is het niet ongebruikelijk dat zij vrijwel de hele teelt voor hun rekening nemen, gedurende 7-8 maanden. In ruil voor hun goede zorgen ontvangen zij 30 procent van de oogst, in natura. Van de opbrengst moeten ze nog wel de ondersteuning van extra katoenplukkers betalen waardoor er vaak niet veel meer overblijft. Aan betere huisvesting voor deze gezinnen bij de productievelden in de buurt van Şanliurfa, vlakbij de Syrische grens, begint men nu aandacht aan te besteden. De overheid is daar begonnen met het bouwen van semi-permanente huizen voor deze arbeiders. Langs de Zwarte Zee kust, in de provincies Ordu en Giresun, groeien de hazelnoten. Daar kunnen migranten 4 tot 6 weken met de oogst bezig zijn. Eerst aan de kust, daarna 20-30 kilometer verderop in de bergen, want op hoger gelegen (koudere) boomgaarden worden de hazelnoten wat later rijp dan op de lager gelegen warmere boomgaarden. Van de migranten families woont 30 procent bij de boer en 70 procent in kampementen. De arbeidsvoorziening is niet formeel geregeld. Er ontstaan soms vaste contacten tussen boeren en families, waardoor deze families meerdere jaren achtereen bij dezelfde boer meewerken aan de oogst. Zij verblijven dan veelal op het terrein van de boer. Maar voor het grootste deel verloopt de arbeidsvoorziening via bemiddelaars, de koppelbazen.   

Koppelbazen

In de winter is er vaak al contact tussen de landeigenaren en de koppelbazen. We hebben dit gehoord van onze gesprekspartners maar het is ook te lezen in de scriptie van Deniz Pelek over seizoensarbeiders[2]. De landeigenaar geeft aan hoeveel mensen hij nodig heeft voor het plukken van de hazelnoten. De bemiddelaar zoekt de mensen hiervoor, vaak mensen uit zijn eigen familie of sociale netwerk. Ook verstrekt hij soms leningen aan deze mensen aangezien de meeste arbeiders gedurende de wintermaanden geen andere inkomsten hebben. Op die manier worden de arbeiders verplicht om ook daadwerkelijk voor de koppelbaas aan de slag te gaan. De koppelbaas regelt dat de gevraagde hoeveelheid mensen op tijd bij diverse landeigenaren aan de slag gaat. Daarnaast bemiddelt hij bij eventuele problemen. Direct contact tussen de arbeiders en de landeigenaar is er niet. Overleg met de landeigenaar over het loon, verblijf en de arbeidsomstandigheden wordt gedaan door de koppelbazen. De landeigenaren betalen het afgesproken bedrag aan het eind van het seizoen aan de koppelbaas. Hij betaalt de arbeiders uit na inhouding van 8-10 procent als commissie voor zichzelf en uiteraard wordt de lening met rente verrekend. Een bemiddelaar plaatst tientallen en soms honderden werknemers per seizoen. De bemiddelaars staan nergens geregistreerd en hoeven dus geen belasting af te dragen over hun inkomsten. Ook vindt er geen controle plaats of ze zich houden aan de wetgeving of internationale arbeidsnormen.

Een commissie bepaalt voorafgaand aan het oogstseizoen de lonen. Deze commissie bestaat uit verschillende overheidsvertegenwoordigers en vertegenwoordigers van de hazelnootsector.[3] Controle van de betaalde bedragen vindt echter niet plaats. In de praktijk verdienen werkers uit de eigen regio in de oogsttijd TL 45 (Turkse Lira, +/- € 18) voor 8 uur werken. Contractmigranten als Georgiërs krijgen zo’n TL 38 per dag en Koerdische seizoenmigranten TL 28-30 per dag. Een belangrijk verschil is niet alleen dat Koerden duidelijk minder betaald krijgen maar hiervoor 11 uur op een dag moeten werken, ook de kinderen die vaak nog minder worden betaald dan volwassenen. Als een maaltijd wordt verstrekt wordt TL 3 ingehouden op het loon.[4] In de praktijk zijn er verschillen in de bedragen die worden betaald door de landeigenaren. Afspraken hierover worden, zoals gezegd, met de koppelbazen gemaakt, niet met de arbeiders zelf.  

Kinderarbeid

De meeste boeren wachten met oogsten totdat de hazelnoten rijp zijn en op de grond vallen. Oogsten is dan een kwestie van rapen. Een andere methode is de noten van de takken trekken. De takken zijn buigzaam dus met een goede samenwerking kunnen ook de kinderen hier een belangrijke bijdrage aan leveren. De boer of een van de arbeiders loopt de bomen nog eens na met een mes-op-stok om de overgebleven trosjes hazelnoten af te snijden. Het werk is letterlijk kinderlijk eenvoudig; niet voor niets zijn kinderen bij de opdrachtgevers van de koppelbazen gewild. Ze rapen handig en zijn volgzaam. Kinderen zijn daardoor vaak productiever dan volwassenen.

Een aantal arbeiders gaf aan dat hun kinderen wel mee moeten werken omdat ze anders niet genoeg te eten hebben. De lonen liggen zo laag dat dit niet voldoende is om een gezin van te onderhouden. Bovendien moeten ze gedurende de verschillende landbouwoogsten hun inkomen voor het totale jaar verdienen. Andere inkomsten hebben ze meestal niet. Deze arbeiders voelen zich daardoor ‘gedwongen’ om hun kinderen te laten mee werken en voor langere tijd van school te halen.

Op een boerenbedrijf dat werd bezocht werkte een 14-jarige jongen volledig mee. Meisjes van 15 en 18 jaar die wij daar uitgebreid spraken, verklaarden dat zij al vele jaren op deze boerderij meewerken in de oogst. Op verschillende vragen werd herhaaldelijk bevestigd dat kinderen in de leeftijd van 12- 16 jaar gangbaar meewerken in de oogst. Bij bezoeken aan kampen overdag bleken kinderen in de leeftijd van 10-18 jaar steeds te ontbreken. Die waren aan het werk. Koppelbazen bevestigen dat kinderen als deel van een familie-inzet erg gewild zijn bij de boeren. Er is ons verteld dat er regelingen zijn waarbij er wordt afgesproken met de koppelbaas dat per zes arbeiders die hij levert er twee kinderen bij moeten zijn. Van controle door de arbeidsinspectie is geen sprake. Aan het begin van het seizoen is vanuit de overheid wel benadrukt dat kinderen onder 16 jaar niet mogen werken, maar actieve controle van deze wetgeving vindt niet plaats.

Niet alleen de oudere meewerkende kinderen hebben het echter zwaar. De kinderen in de leeftijd tot 10 jaar reizen mee met hun ouders en verblijven tijdens de periode van het seizoenswerk in de kampementen. Deze kinderen gaan dus ook niet naar school. De situatie in de kampen is vaak slecht en er is weinig waar de kinderen zich mee kunnen vermaken. Enkele moeders, opa’s en oma’s houden een oogje in het zeil. De oudere meisjes (9-11 jaar) helpen bij het verzorgen van hun jongere broertjes en zusjes en bij het koken.

Onderwijzers van de Turkse Onderwijsvakbond Eğitim Sen in Adiyaman verklaarden dat op hun scholen honderden kinderen in de schoolgaande leeftijd zeker drie maanden, soms tot zes maanden, van het schooljaar verzuimen en daardoor een achterstand oplopen. Die achterstand is niet in te halen, ook niet als de kinderen in de regio waar gewerkt wordt een andere school bezoeken, vanwege het verschil in methodiek en lesvormen. Bovendien verblijven de gezinnen vaak niet langer dan een maand op één plek. Instromen op lokale scholen wordt daardoor bemoeilijkt.

Een vakbond voor landarbeiders bestaat in Turkije niet. Van een belangenorganisatie voor migrantenarbeiders hebben we niet vernomen. Wel was er een vereniging van koppelbazen (Mevsimlik Tarim Isceleri) die zegt op te komen voor de belangen van de arbeiders. De arbeiders zelf zijn niet in deze vereniging vertegenwoordigd. We kregen het gevoel dat de koppelbazen vooral voor hun eigen belangen opkomen die veelal strijdig zijn met de belangen van de arbeiders. De arbeiders worden nu totaal afhankelijk gehouden van de koppelbazen en worden gedwongen 8-10 procent van hun toch al lage loon af te staan aan de koppelbaas.

Binnen de gevestigde vakbeweging bestaat nauwelijks kennis van, laat staan betrokkenheid bij, de seizoenmigranten en de daarmee verbonden kinderarbeid. Een enkele progressieve vakbond als die voor de petrochemische industrie in de zuidelijke provincie Adiyaman (Petrol Is) voelt zich geroepen een rol te spelen in het vraagstuk van de kinderarbeid in de migrantengezinnen.  

Turkse overheid

De berichten in West Europa over de slechte leef- en woonomstandigheden van migrantenarbeiders in Turkije hebben zeker resultaat gehad. De Turkse overheid is zich bewust van het probleem en heeft dit ook erkend. De overheid heeft een plan opgesteld om de situatie in de kampementen te verbeteren. Op verschillende plaatsen zijn er omheiningen geplaatst om een meer beschutte kampplaats te creëren en daarnaast is er geïnvesteerd in enkele voorzieningen. Er zijn nu kranen met schoon drinkwater, sanitaire voorzieningen en recreatieruimtes. Op de plaatsen die wij hebben bezocht bleek de watervoorziening voor de toiletten en douches echter niet te functioneren. Bovendien is het aantal niet toereikend voor het grote aantal arbeiders dat in de kampen verblijft. Niettemin wordt deze beschutte voorziening door de bewoners gewaardeerd. Samenspraak met (mogelijke) bewoners over de inrichting en het onderhoud van de kampementen lijkt echter volledig te ontbreken. De bewoners voelen zich ook nauwelijks verantwoordelijk voor de hen aangeboden voorzieningen. Zij hebben hier ook geen zeggenschap in gehad. Activiteiten gericht op kinderen zijn er niet.

Op nationaal niveau, het allesbepalende centrale gezag in Turkije, is een staatscommissie (METIB) ingesteld om de problematiek van de kinderarbeid in de seizoenmigratie te onderzoeken. De regionale toezichthoudende organen op de seizoenarbeid, de SMFW’s hebben beleidsplannen opgezet die in de regio’s moeten worden uitgewerkt. Maar zelfs een correct statistisch beeld van de omvang van de interne migratie in Turkije ontbreekt. De verantwoordelijke instantie daarvoor, de ISCWR, slaagt er niet in een betrouwbaar overzicht samen te stellen.

Op langere termijn biedt alleen een sterke economische ontwikkeling van de zuidelijke regio’s een echte oplossing voor de Koerdische seizoensmigranten. In de provincie Şanliurfa bij de grens met Syrië is $22 miljoen geïnvesteerd in een stuwdam project, dat met bijpassende irrigatiesystemen een hele regio tot (landbouw)ontwikkeling moet brengen. De verwachting is dan dat er meer werk zal zijn voor de inwoners van de regio en dat minder gezinnen zich gedwongen zullen voelen om op zoek te gaan naar seizoenswerk in andere regio’s van Turkije.      

 

Conclusies

1. Het lijdt geen twijfel dat kinderarbeid bij de oogst van (onder meer) hazelnoten een gangbare praktijk is. Daardoor ontstaat aanmerkelijk schoolverzuim. Niet alleen van de kinderen die werken, maar ook van de jongere kinderen die meereizen en dus ook niet naar school kunnen.

2. De lonen, vooral van de Koerdische seizoensarbeiders, zijn laag en dragen bij aan de continering van kinderarbeid. Het verschil in beloning, arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden tussen de verschillende bevolkingsgroepen is in strijd met het non-discriminatie beginsel, een van de fundamentele arbeidsrechten van de ILO.

3. De Turkse overheid heeft de kinderarbeid-problematiek erkend maar de inzet van de overheid beperkt zich tot nog toe tot het verschaffen van enkele voorzieningen in de kampementen. Van daadwerkelijke controle op of bestrijding van kinderarbeid door overheidsinstanties is niets gebleken.

4. De arbeiders zijn in grote mate afhankelijk van de koppelbazen aan wie ze 8-10 procent van hun inkomsten moeten afstaan. Deze koppelbazen staan niet geregistreerd en worden niet gecontroleerd door de overheid waardoor er misstanden kunnen ontstaan als kinderarbeid, lage lonen en slechte arbeidsomstandigheden.

5. Binnen de gevestigde vakbonden bestaat nauwelijks aandacht voor de problematiek van kinderarbeid in de seizoenmigratie. De onderwijsbond Eğitim Sen in de regio en de bond van petrochemische arbeiders Petrol Is in de regio zijn gunstige uitzonderingen. Andere organisaties die zich inzetten voor de seizoensmigranten zijn niet zichtbaar aanwezig, als ze er al zijn.

 

Aanbevelingen

1. Het is noodzakelijk dat internationaal meer ruchtbaarheid wordt gegeven aan de situatie van migrantenarbeiders en hun meewerkende en meereizende kinderen in Turkije.

2. De Turkse overheid zou naast het organiseren van betere voorzieningen meer verantwoordelijkheid moeten nemen om het recht op onderwijs van kinderen in praktijk te brengen en hen te beschermen tegen werk. Dit kan door meer structurele verbeteringen als: 1) bieden van voldoende en toegankelijke onderwijsvoorzieningen; 2) gedegen arbeidsinspecties op het veld en in de boomgaarden; 3) gelijktrekking van de lonen en arbeidsomstandigheden voor lokale mensen en seizoenmigranten; 4) regulering en controle van de koppelbazen; en 5) versterken van de economische positie van de migranten in de gebieden waar ze vandaan komen.

3. Bedrijven (zowel Turkse als internationale) die de hazelnoten opkopen en verwerken zouden in hun contracten met leveranciers moeten eisen dat zij in al hun activiteiten en in die van hun toeleveranciers, kinderarbeid moeten uitbannen en de rechten van de werknemers en arbeiders moeten naleven. Bedrijven dienen niet alleen kun ketens te controleren op naleving van deze afspraken maar dienen ook te zorgen voor passende maatregelen om een structurele oplossing mogelijk te maken en hierover op transparante wijze te communiceren naar betrokken stakeholders, waaronder consumenten  (ketenaansprakelijkheid).

4. Met de onderwijsvakbond Eğitim Sen zou een actieplan opgesteld kunnen worden om schoolverzuim te bestrijden en kinderarbeid tegen te gaan. Daarbij kan samengewerkt worden met de Nederlandse en Duitse onderwijsvakbonden en met betrokken NGO’s in Turkije.

5. Nagegaan zou moeten worden of er mogelijkheden zijn voor zelforganisatie van migranten arbeiders. Mogelijk kan daarbij samengewerkt worden met de (progressieve) boerenorganisatie Çiftçi Sendikalari Konfederasyonu en met Petrol Is.

6. Consumenten en vakbonden in consumentenlanden van de hazelnoten moeten de opkopende en verwerkende bedrijven aanspreken op hun ketenverantwoordelijkheid.

7. Voor een structurele verbetering van de situatie van de seizoensarbeiders en voor een effectieve afschaffing van kinderarbeid is het noodzakelijk dat de verschillende betrokkenen als bedrijven, nationale en lokale autoriteiten, vakbonden, scholen, lokale organisaties en de arbeiders in de ketens zelf de dialoog met elkaar aangaan en waar mogelijk gaan samenwerken. Iedere speler heeft een eigen rol en verantwoordelijkheden en dient daartoe initiatief te nemen.

Delegatieleden

De delegatie van FNV Bondgenoten bestond uit bestuurder Celil Çoban en de kaderleden Mail Urker en Dick de Graaf. Vanuit de Campagne “Stop Kinderarbeid - School de beste werkplaats” werd Leonie Blokhuis aan de delegatie toegevoegd. De delegatie werd herhaaldelijk getroffen door de onverwachte maar welgemeende gastvrijheid van de Turkse collega’s die tijdens de reis werden ontmoet.

[1] Bevalt de dagprijs niet, dan kan gewacht worden op een betere prijs.  Goed gedroogde hazelnoten blijven zeker een jaar goed van kwaliteit.

[2] Deniz Pelek, Seasonal Migrant Workers in Agriculture: The cases of Ordu and Polatli, Thesis for Bogazici University, 2010

[3]Deniz Pelek, Seasonal Migrant Workers in Agriculture: The cases of Ordu and Polatli, Thesis for Bogazici University, 2010 [4] TL 1 = € 0, 40